MEDISCH BEROEPSGEHEIM

Bij beroepsgeheim gaat het om de bescherming van gegevens verkregen door de behandelrelatie tussen patiënt en arts, zoals in het kader van in preventieve activiteiten, medische beoordelingen, keuringen en wetenschappelijk onderzoek, gezinsvervangende tehuizen e.d..

Het beroepsgeheim heeft civiele-, tucht-, straf- en bestuursrechtelijke aspecten.

De grondregel bij het gebruik van medische gegevens is dat deze slechts mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. Dat geldt voor zowel het beroepsgeheim als in andere situaties.

De grondslag hiervan is gelegen in het feit dat mensen gegevens aan de hulpverlener moeten prijsgeven. Dit gebeurt onder de druk van de omstandigheden en in belang van hun behandeling of voor oordeelsvorming van een ander (sociale verzekeringen etc.) De ander kan in principe op de verkregen medische gegevens geen eigen recht doen gelden en is verplicht om de gegevens te beschermen tegen derden.

Het geheim, medische gegevens, behandelgegevens en andere verkregen informatie zoals persoonlijke en financiële gegevens, behoort toe aan de patiënt en de beroepsbeoefenaar moet dat geheim bewaren door te zwijgen.

De wetgever heeft het belang van opsporing van strafbare feiten achter gesteld aan geheimhouding, als gevolg waarvan de arts verschonings-recht heeft.

Zwijgplicht en verschoningsrecht
Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen zwijgplicht en verschoningsrecht. De zwijgplicht geldt ten opzichte van iedereen behalve de patiënt. Het verschoningsrecht komt met name aan de orde tegenover de rechter en komt alleen toe aan degene die zich op grond van de wet en jurisprudentie hierop kunnen beroepen. Het verschoningsrecht staat tegenover de wettelijke getuigplicht van eenieder. Waar anderen moeten spreken, mogen bepaalde beroepsbeoefenaars (zoals artsen en advocaten) zwijgen. Onder zwijgplicht valt alleen de kennis die de arts bij de uitoefening van zijn beroep of ambt heeft verkregen. Het is vereist dat de arts ten opzichte van degene over wiens geheim het gaat, in een beroeps- of ambtsmatige relatie staat of heeft gestaan. Het verschoningsrecht is hier eveneens op gebaseerd. De personen die onder de zwijgplicht en verschoningsrecht vallen zijn niet hetzelfde. De zwijgplicht geldt voor veel meer mensen. Als deze mensen door de rechter worden gehoord, dienen ze te spreken. Het verschonen van deze plicht op te spreken ten opzichte van de rechter komt alleen toe aan de beroepsoefenaars met het verschoningsrecht. Deze hebben het verschoningsrecht ter handhaving van hun plicht, de bescherming van het geheim van de patiënt. Indien andere personen bij de behandeling van de patiënt betrokken zijn, mag de arts de zwijgplicht ten opzichte van hen doorbreken. Er is dan sprake van een gedeelde zwijgplicht. Hiervoor is op grond van de wet rechtstreekse betrokkenheid van deze andere personen vereist. De beperking van de zwijgplicht moet noodzakelijk zijn voor de door die anderen te verrichten werkzaamheden. Bij een blindedarmoperatie heeft de chirurg bijvoorbeeld geen toegang tot gegevens over psychiatrische behandeling. Toestemming voor het delen van de informatie wordt van de patiënt verondersteld. Uitzondering hierop is uiteraard een uitdrukkelijk toevertrouwd geheim van de patiënt aan de arts.

Verschoningsrecht (zwijgplicht ten opzichte van de rechter)(o.a. art. 218 Sv en art. 68 lid 5 wet BIG)
Bij de behandeling van patiënten zijn veel personen betrokken zoals assistenten, coassistenten en medische studenten, verpleegkundigen, biochemici, fysici, paramedische beroepsbeoefenaars, secretaressen etc. Zij krijgen kennis van persoonlijke gegevens van de patiënt. Voor deze personen geldt de zwijgplicht. Voor zover zij geen erkend beroepsgeheim hebben, bezitten zij een afgeleide geheimplicht. Degene bij wie niet van een zelfstandige geheimhoudingsplicht kan worden gesproken, hebben ook geen zelfstandig verschoningsrecht. Het verschoningsrecht van hen is slechts te herleiden tot dat van degene die zich zelfstandig op dit recht kan beroepen. Indien een afgeleide geheimplichtige verzocht wordt te spreken, dan moet de arts zich als principaal stellen omdat anders zijn eigen beroepsgeheim illusoir wordt. Afgeleid geheimplichtigen moeten zich op het verschoningsrecht van de arts beroepen. Onder deze afgeleid geheimplichtigen vallen de secretaresse, telefoniste, echtgenote van de arts etc.. De rechtspraak heeft uitgemaakt dat de verpleegkundige, verpleegkundigemaatschappelijk werkster tevens directrice van het consultatiebureau voor alcoholisme, sociaalpsychiatrisch werker, de maatschappelijk werker ten aanzien van huwelijks- en gezinsmoeilijkheden, maatschappelijk werker van de Riagg en de patiëntenvertrouwenspersoon een zelfstandig verschoningsrecht hebben. Over het verschoningsrecht van de wijkverpleegkundigen is de rechtspraak het nog niet eens. Een sociologisch onderzoeker en een dierenarts hebben geen verschoningsrecht. Artsen in ambtelijke functies en in de preventieve zorg hebben zwijgplicht en verschoningsrecht. De geheimhoudingsplicht gaat in eerste instantie om het toevertrouwd geheim, de bewust vertrouwelijk gedane mededeling. Maar onder het geheim valt eveneens hetgeen de arts ter kennis komt door het opnemen van de anamnese, röntgenfoto, laboratoriumuitslag, de diagnose, de therapie, het consult, het recept etc. Maar ook niet medische zaken (omstandigheden op werk, school of binnen de familie) vallen onder het geheim. De arts is verder ook zwijgplichtig over wat een derde hem over de patiënt mededeelt.

Zwijgplicht (art. 272 Sr en specifieke wetgeving)
In beginsel geldt de zwijgplicht ten opzichte van iedereen. Het geheim geldt uiteraard niet ten opzichte van de patiënt zelf. De arts kan zich niet op “zijn” geheim beroepen tegenover de patiënt. Ook niet in het geval de arts aan de patiënt de uitslag van een onderzoek mededeelt, wat de patiënt nog niet kende. Dan gaat het nog om een geheim dat de patiënt toevertrouwt aan de arts aangezien de patiënt deze arts toestaat bij hem waarnemingen te doen. Aangezien het geheim ten opzichte van iedereen geldt, betekent eveneens dat de geheimhoudingsplicht in acht moet worden genomen ten opzichte van echtgenoot, levensgezel en familieleden van de patiënt. Met uitzondering van de therapeutische exceptie. Voor het informeren van familie moet de patiënt toestemming hebben gegeven aan de arts. Ook indien deze toestemming verondersteld mag zijn, zoals indien echtgenoten samen op een spreekuur verschijnen, moet de arts zich realiseren dat sommige mededelingen onbedoeld geheimen kunnen prijsgeven. In de relatie arts-minderjarige is, gelet op de afhankelijkheid ten opzichte van de ouders, de zwijgplicht nog belangrijker. De zwijgplicht geldt eveneens ten opzichte van andere artsen, ongeacht dat deze artsen eveneens een beroepsgeheim hebben. Er is uiteraard een uitzondering voor artsen die bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst zijn betrokken. Het beroepsgeheim geld eveneens na de dood. De erfgenamen kunnen de arts niet van diens zwijgplicht ontheffen. In sommige gevallen kan de constructie van de veronderstelde toestemming worden gebruikt. Gebruik gegevens in geval van klachten Voor de vraag of een arts (danwel afgeleid geheimhouder) gebruik mag maken van de gegevens van de patiënt moet onderscheid worden gemaakt tussen de persoonlijke aansprakelijkheid in tucht- en strafrecht en civielrechtelijke aansprakelijkheid. In geval van persoonlijke aansprakelijkheid mag de arts (en afgeleid geheimhouder, bij voorkeur na instemming van de arts) gebruik maken van gegevens van de patiënt voor zover dat nodig is voor zijn verdediging. Ten opzichte van het verstrekken van medische gegevens ter afwending van een civiele schadeclaim is de rechtspraak strenger. In beginsel is toestemming van de patiënt nodig. In toestemming wordt geweigerd door de patiënt dan zal de vordering van de patiënt jegens de arts waarschijnlijk weinig kan van slagen hebben. Degene die het verschoningsrecht heeft, moet wel bij een verhoor voor de rechter verschijnen. Hij moet de eed of belofte afleggen en tijdens de gestelde vragen zich op het verschoningsrecht beroepen. Geen gebruik maken van zijn verschoningsrecht, kan civielrechtelijke, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke gevolgen hebben.

Voor strafrechtelijke vervolging dient de schending opzettelijk te hebben plaatsgevonden. Dit is voor het tuchtrecht geen vereiste. Personen die niet onder het tuchtrecht vallen en personen met een afgeleide zwijgplicht en afgeleid verschoningsrecht, gaan vrijuit bij het schuldig of nalatig schenden van het geheim. Wel past de waarschuwing hier voor civielrechtelijke (lees: financiële) aansprakelijkheid. Degene die verschoningsrecht hebben, zijn vrijgesteld van de aangifteplicht van bepaalde, ernstige misdrijven (art. 160 WvSv) omdat het belang dat die zaken geheim blijven groter is dan dat het eventuele strafbare feit wordt vervolgd. In het strafrecht (art. 98 WvSv) is verder bepaald dat bij personen met verschoningsrecht geen brieven of andere geschriften waarop de plicht tot geheimhouding rust, in beslag mogen worden genomen tenzij de arts daarvoor toestemming verleend.

Doorbreking geheim:
Er is grote terughoudendheid met betrekking tot doorbreking van het geheim, toch kunnen belangen van anderen van de samenleving soms daartoe aanleiding geven. Op grond van de wet is toestemming van de patiënt vereist voor het verstrekken van inlichtingen aan anderen dan de patiënt. Als de arts weet dat de patiënt zijn toestemming op onvoldoende gronden geeft, dan blijft de zwijgplicht van de arts gelden. De wet kan in het algemeen belang de zwijgplicht opheffen. Zoals het melden van bepaalde infectieziekten bij de GGD, van beroepsziekten bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten en de verklaring van overlijden van de arts op grond van de Wet op de lijkbezorging. Ook zonder wettelijke verplichting of toestemming van de patiënt kan de arts zijn zwijgplicht doorbeken. Dit kan indien door het handhaven van die plicht de arts in een noodtoestand in de zin van “ conflict van plichten” zou komen te verkeren. Zoals bij kennis van een arts omtrent een door de patiënt beraamde moord of voortgaande kindermishandeling danwel seksueel misbruik. In een dergelijke geval dient de arts zelf de afweging van belangen maken. Hij kan zich beroepen op overmacht (art. 40 Sr) waardoor de strafbaarheid aan het feit kan ontvallen omdat de arts in een noodsituatie is terechtgekomen waarin hij zich gedwongen voelt aan een hoger belang dan door de norm van de zwijgplicht wordt beschermd, voorrang te geven. Voor de situatie van conflict van plichten bij het geheim kunnen de volgende criteria worden gehanteerd (criteria van prof. Leenders): - alles is in het werk gesteld om toestemming tot doorbreking van het geheim te krijgen; - het niet doorbreken van het geheim levert voor een ander ernstige schade op; - de zwijgplichtige verkeert in gewetensnood door het handhaven van de zwijgplicht; - er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen; - het moet vrijwel zeker zijn dat door de geheimdoorbreking de schade aan de ander kan worden voorkomen of beperkt; - het geheim wordt zo min mogelijk geschonden. Voorbeelden van conflict van plichten zijn doorbreking van het geheim bij kindermishandeling. Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft bepaald dat het beroepsgeheim de arts nooit een vrijbrief geeft om niet te handelen wanneer zijn plicht hem noopt tot het overschrijden van de grenzen die het beroepsgeheim stelt. “Het persoonlijk inzicht van de arts in de concrete situatie en zijn eigen opvattingen omtrent ethiek, moraal en samenleving zullen de weg naar de oplossing moeten wijzen. Het is nauwelijks denkbaar dat de beoordeling van deze situatie door verschillende artsen geheel identiek zou zijn. Daaruit volgt, dat ook het beoordelen van een dergelijke situatie om vast te stellen waar de plicht van de arts als zodanig ligt, tot verschillend resultaat zal moeten leiden en dat niet mogelijk is voor een bepaald geval een voor iedere arts geldend criterium aan te geven”. De rechter beperkt zich tot de marginale vraag of de arts in redelijkheid tot de conclusie had mogen komen dat zijn plicht als arts hem noopte te handelen zoals hij heeft gedaan. Uitspraken in dergelijke zaken zijn zeer casuïstisch. Geheimhouding in de praktijk Uitwisseling gegevens behandelend arts en verzekeringsgeneeskundige of medisch adviseur Voor deze uitwisseling is schriftelijke toestemming van de patient nodig. Een uitzondering op deze schriftelijke toestemming kan worden gemaakt ten aanzien van de medisch adviseur van de instelling die de behandeling betaalt, waarbij alleen de gegevens verstrekt mogen worden die voor de betaling nodig zijn. De informatieuitwisseling gaat om feitelijke gegevens. Geneeskundige verklaring door behandelend arts Het opstellen van een geneeskundige verklaring is het doorbreken van het geheim van de patient. Soms ligt een dwingende wettelijke bepaling ten grondslag aan de doorbreking van het geheim. Indien er geen sprake is van een dwingend wettelijk voorschrift, dient de arts zich te onthouden van het afgeven van een dergelijke verklaring, tenzij met toestemmning van de patient. Veel klachten hierover die door de Tuchtrechter zijn behandeld, betroffen verklaringen omtrent echtscheidingen. Indien met toestemming van de patient een verklaring wordt verstrekt, dient de arts zich te beperken tot objectieve, juiste feiten uit eigen waarneming verkregen. Denk hierbij ook aan zaken waarin het recht op omgang met een kind een rol speelt.

Inlichtingen aan politie/justitie
Ook in contacten met de politie/justitie dient het beroepsgeheim door de arts bewaard te worden; waarheidsvinding is geen grond voor doorbreking daarvan. Zoals aangegeven weegt in Nederland het geheim van de patient zwaarder dan het belang van opsporing van strafbare feiten. Patienten moeten zich ongehinderd en zonder angst voor arrestatie kunnen wenden tot hulpverleners. De arts is dus zwijgplichtig tegenover de politie, die in de instelling wil nagaan of er patienten met bepaalde kenmerken (leeftijd, uiterlijk, bepaald gedrag e.d.) in behandeling zijn. Dit is ongeacht de juridische titel waarop iemand opgenomen is (vrijwillig, strafmaatregel etc.). Ook dient de arts zwijgplichtig te zijn als de politie met gerichte vragen wil nagaan of patient X op die dag afwezig was. Als de politie patient X wil spreken, kan de geneesheer-directeur of behandelend arts medewerking verlenen in overleg met de patient. De polite mag worden toegelaten tot de praktijkruimte als deze is ingeschakeld omdat er wordt gevochten etc. Echter indien de politie zich meldt in het kader van opsporing en vervolging, mag deze de openbare ruimtes (hal, gang wachtkamer) vrij betreden. Maar verpleegafdelingen of patientenkamers mag door politie/justitie alleen met toestemming van de patient of met machtiging van de Officier van Justitie worden betreden.

Inlichtingen aan advocaten
Alleen indien schriftelijk gemachtigd door de patient, kan de advocaat inlichtingen ontvangen of inzage in bepaalde delen van het dossier verkrijgen. In de machtiging dient aangegeven te zijn hoever de machtiging rijkt. Met schriftelijke toestemming van de patient, mogen alleen objectieve feiten worden gegeven, uitsluitend over de patient en zonder subjectieve waarde-oordelen. Informatieverstrekking en wetenschappelijk onderzoek Voor wetenschappelijk publicaties waarbij patienten herkenbaar worden weergegeven, is gerichte toestemming nodig van de patient. Zonder die toestemming mag alleen gepubliceerd worden als de patient niet herkenbaar is. Zie verder art. 7:458 van de WGBO.

Therapie in groepen
Bij therapie in groepen worden verschillende patiënten tegelijk behandeld en kan men soms spreken van een onderlinge hulpverlening door patiënten. De therapeuten hebben uiteraard zwijgplicht en verschoningsrecht. De groepsleden hebben zwijgplicht op grond van algemeen geldende maatschappelijke normen en bij schending is een schadevergoedingsactie uit onrechtmatige daad tegen hen mogelijk. Maar de groepsleden hebben geen verschoningsrecht, echter aan hen komt een afgeleide zwijgplicht en dus ook afgeleid verschoningsrecht toe indien de therapiegroep onder leiding van een arts of geregistreerd therapeut staat.

WAARSCHUWING:
Deze tekst is opgesteld door mrs. Catelijne A. Vilé en Richard A. Korver van York advocaten | lawyers te Amsterdam. De tekst is in algemene termen geformuleerd en ziet niet op enige specifieke casussituatie. Indien u geconfronteerd wordt met een specifieke situatie wordt u dringend geadviseerd zich te laten bijstaan door een deskundig raadsman of raadsvrouwe. Denkt u daarbij aan uw beroepsorganisatie die u eveneens zou kunnen bijstaan. Niets van deze tekst mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs worden overgenomen, gedupliceerd of anderszins verveelvoudigd, danwel openbaar worden gemaakt. Hoewel aan de totstandkoming van deze tekst de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteurs en York advocaten | lawyers geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor de gevolgen daarvan.

U kunt mrs. Vilé en Korver bereiken via:

Korver en van Essen advocaten | lawyers Herengracht 462 1017 CA AMSTERDAM 


« terug